NEDERLAND BLIJFT NAOORLOGS VERLEDEN VERFRAAIEN

Manfred Gerstenfeld

Het verdoezelen van de discriminatie van de Joden in bevrijd Nederland helpt Nederlanders om met een schoongewassen geweten Israel te kritiseren. Mede daarom illustreer ik hieronder in het kort deze Nederlandse geschiedsverfraaing.

Vele Alehlezers weten uit eigen ervaring of verhalen van familie dat na de oorlog Joden vaak achtergesteld werden. De Amsterdamse opperrabbijn Aron Schuster, een voorzichtig en gematigd man, bracht dit in 1955 tot uitdrukking op een officieele bijeenkomst ter herdenking van tien jaar bevrijding. In aanwezigheid van koningin Juliana protesteerde hij tegen de houding van de Nederlandse autoriteiten jegens de Joodse gemeenschap wat de voogdijbeslissingen over oorlogspleegkinderen en het rechtsherstel betrof. Jaren later verklaarde hij dat deze verwerpelijke standpunten het gevolg waren van het voortleven van Duitse racistische doctrines in de Nederlandse gemeenschap.

Tientallen jaren is in Nederland vooral aandacht besteed aan het lot van de Joden tijdens de oorlog. Recentelijk is ook de naoorlogse periode meer in de belangstelling gekomen. In het debat over het rechtsherstel zijn vele schokkende feiten uit de, duizenden bladzijden tellende, rapporten van de commissies van onderzoek naar de uitvoering van het rechtherstel algemeen bekend geworden.

Het wordt steeds duidelijker dat de huidige Nederlandse regering niet bereid is om de volle waarheid over de houding van hun naoorlogse voorgangers jegens de Joden te erkennen. Dit verhullingsproces betreft ook twee andere aspecten van Nederlands gedrag. Allereerst de rol van de Nederlandse regering in Londen tijdens de oorlog. Daar was nauwelijks belangstelling voor de weggevoerde joden Pas anderhalf jaar nadat de deportaties begonnen contacteerde de Nederlandse regering haar Poolse collegas in ballingschap officieel voor het verkrijgen van informatie. Dat, terwijl de bureaux van beiden zich in hetzelfde gebouw, Stratton House, bevonden.

Ten tweede is er geen officieele bereidheid tot het aanvaarden van enige verantwoordelijkheid voor de beduidende hulp aan de bezetter van de Nederlandse autoriteiten bij de arrestatie en deportatie van de Joden. Vooraanstaande geschiedkundigen hebben uitvoerig beschreven dat zowel de Nederlandse autoriteiten als de bevolking de Duitsers gewillig geholpen hebben bij de jodenvervolging en slechts weinigen zich verzetten of sabotage pleegden.

Over de Joden in naoorlogs Nederland is nog niet veel geschreven. Het geschiedsbeeld moet nog gevormd worden. Jacques Presser beschreef de ‘negatieve’ houding jegens de teruggekeerde Joden in de Epiloog van zijn in 1965 gepubliceerde De Ondergang. Hij vermeldde onder andere de "na afschuwelijke ontberingen" teruggekeerde Joodse leraar die zich door zijn chef in een volle zaal hoorde toevoegen: "De goede Joden zijn dood de slechte zijn teruggekomen." Presser voegde eraan toe dat die chef "een alom geachte gepromoveerde persoonlijkheid" was.

Joel Fishman concludeerde dat vanaf het begin van het werk van de commissie voor Oorlogspleegkinderen, "de geest en structuur van die commissie kwetsend waren voor de Joodse minderheid." Elma Verhey werkte dit thema van het machtsmisbruik van de Nederlandse authoriteiten met betrekking tot de Joodse weeskinderen verder uit in haar boek Om het Joodse Kind.

Het in 1990 gepubliceerde Terugkeer van Dienke Hondius kreeg als ondertitel mee "Antisemitisme in Nederland rond de Bevrijding." Michal Citroen schreef in haar in 1999 verschenen U wordt door Niemand Verwacht : "Bijna alle ondervraagden hebben uitingen van anti-Joodse gevoelens na de oorlog ervaren in contacten met de niet-Joodse bevolking of met vertegenwoordigers van de autoriteiten."

Tot een paar jaar geleden hoefden de Nederlandse autoriteiten hierover geen stelling te nemen. Het werk van de commissies van onderzoek naar het verloop van het rechtsherstel bracht de regering in een moeilijk parket. Hun naoorlogse politieke voorgangers hadden zich veelvuldig jegens de Joden misdragen. In de commissie-rapporten kwamen nieuwe bewijzen naar voren dat zij de Joden gediscrimineerd hadden.

Hier kunnen slechts twee belangrijke voorbeelden vermeld worden. De commissie Scholten concludeerde dat minister van financien Lieftinck de belangen van de effectencommissionairs behartigd had ten koste van de beroofde Joden. De comissie Kordes vond het immoreel dat door de lage aankoopsprijs die na de oorlog voor Westerbork betaald was Nederland in feite de Joden de kosten van hun deportatie zelf had laten dragen.

De waarheid was kennelijk te pijnlijk voor Nederlands regeerders om geheel te erkennen. Die houdt immers in dat vooraanstaande Nederlandse democraten na de oorlog geholpen hebben de Joden opnieuw te bestelen. Een belangrijk gebeuren in het verdoezelingsproces was het grote Internationale forum over de Holocaust dat in Stockholm in Januari 2000 plaatsvond. Ministerpresident Kok weigerde daar excuses aan te bieden voor de houding van de naoorlogse Nederlandse autoriteiten jegens de Joden.

Enkele dagen daarna moest Kok alsnog de Joodse gemeenschap excuses aanbieden onder druk van onder andere minister Zalm. Daarbij schiep hij een nieuwe geschiedsverdraaing. Het falen was niet opzettelijk geweest. Een bewering die in strijd was met belangrijke conclusies van de commissierapporten.

Dezelfde houding werd ingenomen toen de regering enkele maanden later een brief aan het parlement stuurde met aanbevelingen naar aanleiding van het werk van de commissies van onderzoek. In een gladde zin werden de kantjes van de waarheid afgeslepen. De regering drukte haar spijt uit dat "er te veel formalisme, bureaucratie en vooral kilte in het rechtsherstel is geweest, zonder overigens verkeerde bedoelingen te veronderstellen bij diegenen die toen de verantwoordelijkheid droegen." De zin was zo gecompliceerd en vaag om te verhullen dat er vaak wel ‘verkeerde bedoelingen’ waren geweest.

De discussie over wat na de bevrijding gebeurd was rakelde ook de Nederlandse rol in de oorlog weer op. In April 2000 bezocht Kok Israel. Enkele dagen voor dat bezoek zei Israel`s bekendste Holocaustjournalist Itamar Levine tegen de Volkskrant: "Nederland heeft een duistere dubbelzinnige relatie tot de jodenvernietiging." Kok bewees dat door in een Israelisch radioprogramma opnieuw om de waarheid heen te draaien. Hij zei: "Nederlanders zijn nooit verantwoordelijk geweest voor Duits wangedrag in Nederland tijdens de oorlog." Dat had niemand beweerd. Het ging om de nooit-erkende Nederlandse verantwoordelijkheid voor het wangedrag van Nederlandse autoriteiten, instellingen en individuen tijdens de oorlog.

De historici schreven ondertussen vlijtig verder. Het verleden jaar gepubliceerde Berooid bevatte nieuwe gegevens hoe de rechtsherstelwetgeving de Joden benadeeld had. Maar de auteur Gerard Aalders, die op het NIOD (Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie) werkt, bleef zo ver mogelijk uit de buurt van de belangrijkste vraag: in hoeverre waren de Joden na de oorlog in Nederland gediscrimineerd? Het ging hem er niet om of de rechtsherstelwetgeving de Joden recht had gedaan, maar of de regering haar wetten behoorlijk had uitgevoerd. Omstreeks dezelfde tijd verscheen de kleine Sjoa van Isaac Lipschits. De titel van het boek drukte de opinie van de auteur over de naoorlogse behandeling van de Joden in Nederland duidelijk uit.

In 1998 werd de Stichting Onderzoek Terugkeer en Opvang (SOTO) opgericht op regeringsverzoek om de naoorlogse houding jegens de oorlogsslachtoffers te onderzoeken. Verschillende NIODemployees vervulden belangrijke functies bij SOTO. Zes miljoen gulden werden voor dit onderzoek uitgetrokken. Het belangrijkste boek dat hieruit resulteerde is Martin Bossenbroek`s De Meelstreep dat een paar maanden geleden uitkwam. De Joden zijn een van de vele categorieen die besproken worden. Dat neemt niet weg dat een beduidend vele gevallen van discriminatie in het boek verhaald worden.

Wat de Joden betreft laat Bossenbroek belangrijk materiaal weg en beantwoordt indringende vragen van zijn voorgangers niet. Zijn werk is tot dusverre het toppunt van het verdoezelingsproces. Dat blijkt uit zijn conclusie: de opvang en integratie van oorlogsvervolgden in het bevrijde Nederland was "naar omstandigheden redelijk goed." SOTO heeft het vaderlandse imago dus van een nieuwe laag verhullende verf voorzien.

Lipschits heeft in het NIW een opsomming gegeven van de belangrijke onderwerpen die Bossenbroek weglaat zoals de antisemitische sfeer binnen het Nederlandse overheidsapparaat in Londen die "mede bepalend is geweest voor de naoorlogse houding van de Nederlandse overheid jegens de Joden." Hij verwijt Bossenbroek ook dat hij niets schrijft over notarissen die geld achterhielden dat bestemd was voor erfgenamen van omgebrachte Joden. Dit zijn maar twee voorbeelden uit de lijst van Lipschits die ons tot de conclusie voeren dat Bossenbroek zowel de Joden als de geschiedenis onrecht doet. Het roept ook de vraag op of de officieele geschiedschrijving wat de naoorlogse tijd betreft minder in de historische waarheid geinteresseerd is dan zij was betreffende de oorlogsperiode.

De geschiedenis volgt soms vreemde wegen. Binnenkort zal het NIOD een vuurproef moeten ondergaan, die niets met Joden te maken heeft. Het onderzoekt nu al jarenlang de Nederlandse rol bij de massamoord van Srebrenica in 1995. Nederlandse VN troepen verlieten deze enclave terwijl de Serviese Bosniers vele duizenden Moslems afslachtten. De regering en militaire authoriteiten interesseerden zich uitsluitend voor de veiligheid van de Nederlandse soldaten. In de dagen van de massamoord had Kok er geen belang voor wat zich in Srebrenica afspeelde.

Als het NIOD in dit geval met hetzelfde soort conclusies als De Meelstreep aankomt zal het geduchte politieke opponenten op zijn weg vinden en niet de kleine, zwakke en historisch ongeinteresseerde Nederlands Joodse gemeenschap. Daarmee zal ook een fel licht schijnen op hoe officieel Nederland met de naoorlogse geschiedenis omgaat.

Published in Aleh 2002